strand van paleopoli

Daoïsme
Wie van heilige huisjes houdt zal zich naar alle waarschijnlijkheid binnen het Daoïsme niet thuis voelen. Als leidraad op het levenspad geeft het immers in eerste aanleg weinig houvast. Dao of Tao wordt vaak vertaald als 'De Weg', maar deze begripsbepaling werkt eerder verhullend dan richtinggevend. Wat we wel kunnen weten over Dao is dat het onbenoembaar is. We kunnen weten dat het niet iets is en dat het niet niets is. Hoewel het onmogelijk lijkt om ons daar een voorstelling van te maken kunnen we aannemen dat het aan alles vooraf gaat, dat alles eruit voortkomt en dat alles er naar terugkeert. Het schijnt in alles aanwezig te zijn, maar nooit te veranderen. Geen naam, geen woord, noch enige invulling van het begrip Dao heeft permanent bestaansrecht en toch is Dao eeuwig. 'Wat een vaagheid, wat een duisternis!', zegt de Dao De Jing dan.

Veel tradities, religies en levensovertuigingen vormen bouwwerken, die de mens een reddende hand bieden in het mysterie van het bestaan. Het Daoïsme daarentegen gooit je in het diepe en laat je rustig rond spartelen in het donker zonder hoopgevende lichtpunten aan de horizon. Het is wellicht een van de redenen die maakten dat het Daoïsme niet altijd even populair was, noch is.

Terug naar boven


Dao & De
Is het Daoïsme wreed? Kent het geen genade? En waarom zouden we ons blootstellen aan gespartel in het diepe zonder richting? Het zijn mogelijke vragen die opkomen bij wie de moed heeft gevat om dieper door te dringen tot de wereld van het Daoïsme. Dao dat we als gegeven in dit bestaan onmogelijk kunnen kennen gaat hand in hand met De. De wordt vaak vertaald als deugd, maar de stichtelijke bijbetekenis die het begrip deugd in onze (en ook in de Confucianistische) cultuur heeft gekregen, dekt onmogelijk de lading van de Daoistische gedachte achter De. In tegenstelling tot Dao kunnen we De echter wel kennen. Het laat zich zien als de verwerkelijking van Dao in de materiële wereld en daarmee verleent De ons een eerste kijkje in het donker:

"Hij die het De volledig bevat, kan vergeleken worden met een pasgeboren baby. giftige insecten bijten hem niet, wilde beesten grijpen hem niet, roofvogels storten zich niet op hem.

(…)Als dingen over hun hoogtepunt zijn dan worden zij oud. Dat wordt genoemd: niet met Dao zijn. Niet met Dao zijn leidt tot een vroeg einde." (Vers 55, Dao De Jing/Lao Zi, vertaling Jaap Voigt)

De Daoïst is niet wreed, maar hij is keihard in het onder ogen zien van de werkelijkheid. De Daoïst kent genade, maar niet als een zegen van buitenaf. Hoewel hij als een kind rond spartelt in het diepe, is zijn aanwezigheid effectief. Hij beoefent ten alle tijden de kunst van het niet-handelen (wu wei), tegelijkertijd is hij uiterst praktisch. Anders gezegd de Daoïst is maximaal aanwezig in de spanningsvelden van ons bestaan, maar zonder enige inspanning en volkomen zichzelf (ziran). Wie dit aanspreekt, wie zich afvraagt hoe deze weg te bewandelen en wil doordringen tot dit wonder, zal in het Daoïsme een ware vriend vinden.

Terug naar boven


Spontane natuur (ziran)
"De mens komt overeen met de aarde, de aarde met de hemel, de hemel met de Tao, de Tao met wat spontaan is zoals het is." (Vers 25, Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, vertaling Kristofer Schipper)

In dit tekstfragment komt tot uitdrukking hoe door de mens heen de werking van Dao op aarde gestalte krijgt, spontaan zoals het is. Daarvan afgeleid kunnen we zeggen dat wie spontaan aanwezig is, in Dao is en wie in Dao is, is spontaan aanwezig. Niet dat dit ons nu zoveel verder brengt, want wat is in Dao zijn en wat is nu werkelijk spontaan? Kortom we spartelen weer in het diepe en tasten in het ongewisse. Vele eeuwen na het verschijnen van de Dao De Jing en de Zhuangzi, zullen de Chinese innerlijke alchemisten uitvoerig en in een geheel eigen taal op dit vraagstuk ingaan. Ten tijde van Lao Zi en Zhuang Zi wordt de vraag echter nog vrij simpel beantwoord. Het komt erop neer dat daar waar het menselijk intellect en/of de zintuiglijke verlangens de heerschappij over het menselijke handelen overnemen, de spontane natuur verloren gaat. Lao zi geeft ons hiervoor de staat van een pasgeboren kind als voorbeeld. Het intellect speelt nog geen rol en de zintuiglijke verlangens alleen tot zover als nodig is om in de levensbehoeften te voorzien. Een zuigeling wil voedsel, maar nooit meer dan genoeg. Hij wil warmte, maar in alle eenvoud. Hij heeft geen beelden, strevingen of eisen aangaande de vorm van zijn behoeftevervulling. Vervulling heeft aan zichzelf genoeg. Zo kunnen ook wij in deze staat van zijn onze spontane natuur behouden.

Zhuang Zi legt het accent op kennis met zijn verwoestende uitwerking op de spontane natuur. Daar waar de ene mens op staat met de wijsheid in pacht, verrijst naast hem de domme. In beiden gaat daarmee een spontane natuur verloren. Immers zijn niet beiden vanaf dat moment veroordeeld tot een rol, die hun gedrag bepaalt? En hoe kan vooraf bepaald gedrag ooit nog spontaan ontstaan?

Zowel Lao Zi Als Zhuang Zi waarschuwen voor de maatschappelijke gevolgen van het verloren gaan van de spontane natuur in mensen. Waar de dingen niet meer vanzelf gaan, staan autoriteiten op. Waar hiërarchie heerst, gelden regels. Hoe meer regels een gemeenschap kent, hoe verder weg de spontane natuur en hoe minder de dingen vanzelf gaan. Daarmee is nog niet de vraag beantwoord hoe de spontane natuur te behouden, maar wel wordt zichtbaar in hoeverre hij nog bestaansrecht heeft binnen een collectief. Vooral de Confucianisten die een sterk opvoedende taak meenden te hebben en niet schroomden op mens en maatschappij in te grijpen en daarmee op de spontane natuur, moeten het in de ogen van Lao Zi en Zhuang Zi ontgelden.

Uiteindelijk is de vraag naar de spontane natuur natuurlijk eenvoudig te beantwoorden. Deze is immers van nature spontaan aanwezig. Hij is of gaat niet weg, hooguit dat iets anders er zich van afwendt. Dat 'iets anders' noemen we dan doorgaans ik, of ego. 'Ik' kan de spontane natuur niet zien en net als Dao kunnen we de spontane natuur niet vatten in begrippen. Dit 'ik', gevoed door wat het kent en wat het (zintuiglijk) verlangt laat zich de ongrijpbaarheid van de spontane natuur niet graag welgevallen en heeft de neiging te 'vergeten' dat deze bestaat. Toch kunnen we dit 'zijn zoals het is' wel degelijk ervaren, maar alleen als het 'ik' bereid is zijn superieure positie op te geven. Dan vangen we via de tijdelijkheid van het aardse, een glimp op van de hemel en van Dao zoals het is. Dat noemen we dan maar De.

Tot slot, is het misschien wel elegant om nog even stil te staan bij de aard en de werking van die spontane natuur. Want hoe zou de wereld eruit zien als wij daarin aanwezig waren als pasgeboren baby's? En aan welke bandeloosheid zouden we ons onderwerpen als we met Zhuang Zi en Lao Zi de regelgeving verwierpen?

Planten, bloemen en bomen kennen geen regels en toch ontwikkelen ze zich volgens een volkomen spontane, natuurlijke ordening. Mensen die de organische wetmatigheden van de aarde volgen zijn niet anders dan dat. Zij zijn onderhevig en laten zich leiden door een vanzelfsprekende scheppende kracht die zich met een vaststaand patroon voltrekt. Naïviteit is voor de Daoïst een vervorming van iemand die zijn werkelijkheidszin heeft verloren. Het beeld van de staat van een pasgeboren kind wordt dan ook niet opgeroepen om in een vermeend paradijs te kunnen verkeren. Het gaat om het bewaren van een natuurlijke, onaantastbare, onschuldige staat van zijn, waarin begrippen als macht, geld en seks geen invloed hebben. Het wil niet zeggen dat hij ze niet kent, niet ziet of ze niet praktiseert, het wil alleen zeggen dat hij zich er niet door laat bepalen.

Het is in de actuele kwesties die ons leven bepalen dat de tradities waaraan wij ons laven, zich kunnen bewijzen. De antwoorden die wij in deze tijd formuleren op grond van onze bronnen maakt dat ze kunnen voortleven. Wat het Daoïsme door de eeuwen heen kleurt, zijn onorthodoxe grondbeginselen die vaak bedreigend zijn voor het establishment. Maar, zoals deze inleiding is begonnen, ook voor het individu verkondigt het ideeën, die het oor liever niet hoort, geeft het kaders die het oog liever niet ziet. Daarmee heeft het Daoïsme voor zichzelf een barrière opgeworpen, die werkt als selectiecriterium en tegelijkertijd recht doet aan een van de eerste grondbeginselen: toegang vereist een receptieve, onbevooroordeelde, waarheidsgetrouwe geestesgesteldheid. En zie daar de voedingsbodem voor de spontane natuur.

Terug naar boven


Bronboeken
Wie zich wil verdiepen in de Daoistische traditie kan putten uit een rijke canon. Net zo goed, of misschien wel beter kun je je beperken tot een drietal bronboeken die levens mee kunnen. Dat laatste is natuurlijk niet anders in de monotheïstisch tradities, die feitelijk ook kunnen volstaan met een enkel boek in de vorm van de Bijbel, de Koran en de Thora. Hoe dan ook voor het Daoïsme geldt dat je met de Dao De Jing van Lao Zi, de Zhuangzi van Zhuang Zi en het Chinese boek der veranderingen, de
I Tjing, voorlopig wel zoet bent. De vertalingen zijn talrijk, net als de commentaren. Klik hier voor aanbevelingen. Dat geldt ook als je op zoek bent naar advies voor algemene inleidingen op het Daoïsme.

Terug naar boven